Bij een doorstart dient onderscheid gemaakt te worden tussen ondernemingen die gedreven worden in de vorm van een eenmanszaak of een VOF en ondernemingen die rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals de BV.
Of een doorstart van een eenmanszaak of een VOF door de ondernemer mogelijk is, hangt af van het huwelijksgoederenregime van de ondernemer. Is hij in gemeenschap van goederen gehuwd dan zal een doorstart niet mogelijk zijn, omdat het faillissement van de eenmanszaak indirect het faillissement van de huwelijkse gemeenschap tot gevolg heeft. Beide echtelieden zijn dan hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming.
Wanneer de ondernemer op huwelijkse voorwaarden getrouwd is dan behoeft de niet-ondernemende partner niet aansprakelijk te zijn voor de schulden van de onderneming. Er zijn dan in beginsel mogelijkheden voor een doorstart. De echtgenoot blijft dan immers buiten het faillissement. Uiteraard gaat dat alleen op wanneer de echtgenoot zich niet hoofdelijk mee heeft verbonden voor de financiering van de onderneming. Uitsluitsel hierover kan worden verkregen via een inventarisatie van het kredietdossier van de onderneming.
Of een doorstart van een onderneming, die gedreven wordt in de vorm van een besloten vennootschap mogelijk is, hangt primair af van de privé-situatie van de DGA. Als de ondernemer in privé mede-aansprakelijk is voor de financiering van de vennootschap, dan zal een doorstart moeilijk zijn. Is daarentegen de ondernemer in privé vrij dan ligt in beginsel de weg open voor een succesvolle doorstart, maar dan mag de vennootschap geen aanzienlijke vordering hebben op de DGA in privé.
Uit de praktijk blijkt dat bij veel faillissementen van DGA-ondernemingen de DGA een hoge rekening-courantschuld heeft bij de failliete vennootschap. Materieel gesproken kan dat de weg voor een succesvolle doorstart door de DGA blokkeren.
Doorstart wordt vaak gebruikt in combinatie met andere begrippen; zoals ziekenhuisconstructie, sterfhuisconstructie en technisch faillissement.
Om de aanpak van een doorstart te verduidelijken, dient kort ingegaan te worden op het doel van de doorstart. Daarover is geen verschil van mening: het voortzetten van de gezonde onderdelen van de onderneming! Een van de meest voor de hand liggende manieren om dat te doen is het uitlokken van een technisch faillissement.
Een technisch faillissement is het bewust uitlokken van een faillissement, om daarmee de handen vrij te krijgen voor een doorstart. Het overnemen van gezonde onderdelen uit de failliete boedel met achterlating van de schulden in het faillissement.
Een belangrijke reden om een technisch faillissement uit te lokken is voorts gelegen in het feit dat volgens wettelijke bepalingen het personeel dan niet automatisch mee overgenomen hoeft te worden. Buiten een faillissement bepaalt de wet dat bij een overname van een deel van de onderneming, automatisch alle arbeidscontracten mee overgaan in de nieuwe onderneming. Dit geldt ook in een situatie van een surseance. Als één van de oorzaken van discontinuïteit overtolligheid van personeel is, kan een succesvolle doorstart alleen worden bereikt wanneer het overtollig personeel achterblijft in de failliete boedel. Dat is ook de reden dat vakbonden vaak felle tegenstanders zijn van een doorstart.
Voor een succesvolle doorstart is het noodzakelijk dat het tijdig wordt voorbereid. De gezonde onderdelen van de onderneming zullen, vóór het uitspreken van het faillissement, getaxeerd moeten worden om inzicht te hebben in de omvang van de boedel en de afzonderlijke boedelbestanddelen. Aan de hand van dat inzicht kan een verantwoord bod worden uitgebracht bij de curator.
Daarnaast is het van belang dat als gevolg van het faillissement afnemers/klanten niet zullen afhaken door een overstap te maken naar concurrente leveranciers. Vaak wordt dan ook geadviseerd om afnemers/klanten op de hoogte te brengen dat een doorstart wordt voorbereid. Daarmede voorkomt men dat afnemers/klanten te snel naar concurrente leveranciers overstappen.
Het heeft geen zin een deel van de onderneming voort te zetten wanneer achteraf blijkt dat het niet levensvatbaar meer was. Het is dus essentieel dat er ook daadwerkelijk gezonde onderdelen van de onderneming aanwezig zijn. Of daar sprake van is kan alleen worden beoordeeld aan de hand van een uiterst kritisch onderzoek.
In dat onderzoek zal moeten worden nagegaan of de onderneming nog wel een aansluiting met de markt heeft en of de oorzaak van de discontinuïteit niet te wijten is aan mismanagement. Dat is vaak één van de redenen waardoor in de praktijk blijkt dat niet elke doorstart succesvol verloopt, waardoor het ogenschijnlijk gezonde deel van de onderneming enige tijd later opnieuw failliet gaat.
Uiteraard dient een doorstart gefinancierd te worden en meestal is de huisbankier niet bereid haar medewerking daaraan te verlenen. Het zoeken van nieuwe financiers is dan ook vaak een vast onderdeel van een doorstartplan. Zekerheden van de bank zullen moeten worden afgekocht en een herfinanciering van de onderneming is noodzakelijk. Het doorstartplan is dan ook een onderdeel van het overlevingsplan.